Het eiland Mull – The Letters of Ivor Punch van Colin MacIntyre

Meestal weet ik na het lezen van een boek precies wat ik ervan vond. Bepaalde zinnen en beelden kunnen nog dagen in mijn hoofd zitten. Met The Letters of Ivor Punch door schrijver Colin MacIntyre, die zelf uit Mull komt en ook deel uitmaakt als muzikant en liedjesschrijver van de Mull Historical Society, twijfelde ik over mijn ‘eindoordeel’. Het was zo’n samenraapsel van verschillende stijlen, tijden en personages. Soms genoot ik met volle teugen, bij andere stukken had ik soms het idee dat ik mijn tijd verdeed aan veel vaagheid en willekeur. Daarom is het moeilijk om in een paar zinnen samen te vatten waar het boek over gaat, en dat kan ook iets positiefs zijn; geen hapklaar genre.

Ivor Punch is een oude man die vroeger politieman was op een klein eiland in het westen van Schotland. Hij is een zwijgzaam type, maar als hij wel spreekt zijn zijn zinnen doorspekt met heel veel fucks, een  gewoonte die mij enorm irriteerde omdat hij daardoor als imbeciel overkomt en de dingen die hij zegt juist reduceert in plaats van kracht bij zet. Ik begreep de zin er niet van. Maar wat Ivor wel erg goed doet, is brieven schrijven, heel veel brieven (die ook doorregen zijn met fucks). De brieven zijn onthullend, ontroerend en waarachtig. Ze stellen oprecht grote zaken aan de kaak en vormen het geraamte van het boek. Al die brieven zijn verbonden met eilandverhalen, met mensen die er wonen en woonden, waaronder meerdere generaties van de onconventionele familie Punch. Feiten en fictie lopen vrijelijk door elkaar.

Het verhaal dat voor mij met kop en schouders boven de andere uitstak, was de geschiedenis van Henrietta Bird, de thuisblijfzus van de victoriaanse ontdekkingsreizigster Isabella Bird, haar ene vurige moment van passie met een van de stuurse Punch-mannen en een bezoek van Charles Darwin (die met zijn evolutieleer wordt geïn­tro­du­ceerd als tegenhanger voor het sterke chriselijke geloof op het eiland), en die naar Mull afreist voor de of­fi­cië­le onthulling van de nieuwe dorpsklok in Tobermory, maar op de dag zelf verstek laat gaan. Het verhaal over de deze twee zussen en het leven van Henrietta op Mull is een onderwerp dat een eigen roman waard is.

En voorbeeld van herschreven historie is het feit dat de bouw van de klok in de haven van Tobermory op Mull inderdaad werd gefinancierd door  Isabelle Bird ter nagedachtenis van haar geliefde zus Henrietta.

Het hart van het boek is het eiland. De relatie met het land en de zee, met alle dingen die je kunt verliezen als eiland zijnde. Er huizen veel excentriekelingen in het boek en het staat bol van folklore, verlies, ontwrichting, kliflandschappen en een ruiter zonder hoofd. Als niet-eilander voelde ik de betovering, maar ook de beklemming, de mogelijkheden en de geschiedenis die je eigenlijk alleen kunt begrijpen als je er zelf, of je familie, deel van uitmaakt(e).

Nadat ik het boek uitgelezen had, stuitte ik op het nawoord, dat van origine als artikel verscheen in de Irish Times, met de titel Mull of Colin MacIntyre; from stage to page. Ik las dit boek op mijn e-reader, en daarom had ik niet eerst door het boek gebladerd. En ergens is dat jammer omdat veel elementen me na het lezen van het nawoord een stuk duidelijker werden. Maar een boek is autonoom en kan ook zonder alles helemaal te doorgronden je meenemen in een andere wereld. Iets wat hier met vlagen briljant is gelukt en op andere momenten briljant mislukt.

In onderstaande filmpje vertelt Colin MacIntyre over zijn debuutroman.

Isola Tiberina; een schip vol verhalen

Soms liggen eilanden op een plek waar je ze niet verwacht.

In het hectische centrum van Rome deelt de Tiber zich in tweeën om ruimte te maken voor een eiland: Isola Tiberina. Net als  in de rest van de Eeuwige Stad liggen ook hier de legendarische anekdotes voor het oprapen. Aan spektakel en legendarische gruwelijkheden geen gebrek, de werkelijke geschiedenis steekt er vaak bleekjes bij af.

Als een schip ligt Isola Tiberina aangemeerd in een bocht van de rivier, de  betonnen steven vastgeklonken aan een van de pijlers van de Ponte Garibaldi.

Mythische verhalen vertellen over koning Tarquinus Superbus als hoofdpersoon in de ontstaansgeschiedenis van het eiland. Boeren gooiden hier hun graanvoorraad in de Tiber, woedend over het onrechtvaardige beleid van hun heerser. Het graan werd niet meegevoerd door de stroming van de rivier, maar  bleef liggen en vormde zo het Isola Tiberina. Voor wie houdt van de bloeddorstige variant: het zou geen graan zijn geweest, dat in de rivier werd gegooid, maar het lichaam van Tarquinius. Slijk en planten kleefden aan het lijk, dat zo aangroeide tot een eiland.

De waarheid is minder luguber. Net als de rest van Rome bestaat het eiland uit vulkanisch gesteente.

‘Jodenbrug’ of ‘brug met de vier hoofden’, zo wordt de Ponte Fabricio in de volksmond genoemd. De oudste stenen brug van Rome verbindt het Joodse getto van de stad met het eiland. Vier stenen hoofden op de leuning verbeelden twee Januskoppen, de details nauwelijks nog zichtbaar, uitgesleten door de tand des tijds. Of zijn het toch geen Januskoppen, maar de gezichten van de vier architecten die paus Sixtus V liet onthoofden? Het zou hun straf zijn omdat ze het maar niet eens konden worden over restauratiewerkzaamheden van de Ponte Fabricio.

Met meer dan 900 kerken in Rome is het niet verwonderlijk dat ook op het kleine eiland in de Tiber een godshuis staat: de Basilica San Bartolomeo all’Isola. Gewijd aan de Heilige Bartolomeus van Kana, een van Jezus’ apostelen, en martelaar. Levend gevild werd hij, vandaar zijn beeltenissen met een mes, of met zijn afgestroopt vel over zijn arm. Volgens andere geschiedschrijvers zou hij niet zijn gevild maar gekruisigd, ondersteboven, zijn schedel doorkliefd. Die schedel wordt bewaard in de Dom van Frankfurt, zijn gebeente ligt in de basiliek op Isola Tiberina.

Ooit stond op de plek van de Basilica een tempel gewijd aan Asclepius. Hij was de god van de geneeskunde. De legende van dit voorchristelijke heiligdom verhaalt over een schip, dat vanuit het Griekse Epidaurus over de Tiber gevaren kwam, met aan boord een beeld van Asclepius. Of, zoals een andere versie luidt: in het gezelschap van een heilige slang, het symbool van Asclepius. Toen het schip langs Isola Tiberina voer, ontsnapte de (levend geworden) slang en kroop het eiland op. Dat was een overduidelijk teken. Hier moest een tempel worden gebouwd. Om het gebeuren meer kracht bij te zetten, kreeg het  eiland een scheepswand van travertijn en een obelisk, die de scheepsmast van een Romeins galjoen moest voorstellen.  ‘Deliriant isti Romani’: rare jongens, die Romeinen.

 

Erik Orsenna – Twee zomers

 

 

Erik Orsenna – Twee zomers

Originele titel en uitgave: Deux étés – Paris : Librairie Arthème Fayard, 1997

 

De beginzin van ‘Twee Zomers’ telt maar liefst 175 woorden. Nadat ik die gelezen had, legde ik het boek weg, onderop mijn nog-te-lezen-stapel. Om het vervolgens – na een week of twee – alsnog een herkansing te geven. Ik las de 148 pagina’s tellende roman in één ruk uit. En blijf me sindsdien maar afvragen waarom dit boek nooit verfilmd is.

Plaats van handeling, een plaatje: Île de B., een Bretons eiland,  ”dat  de wolken afschrikt; ze blijven op een afstandje, alsof ze vastzitten aan het vasteland. Een onweerstaanbaar zachte lucht, vast de streling van een aftakking van de Golfstroom. Een flora uit andere luchtstreken, aloë’s, mimosa’s, palmbomen, een stukje Sardinië midden in het Kanaal.”  Het beeldende en kleurrijke  taalgebruik van Orsenna laat het blauw van de zee, het groen van de bomen en de bonte bloemenpracht aan je oog voorbij trekken.

De plot is is al even filmwaardig: op een dag arriveert vertaler Gilles op île de B. Hij is Parijs ontvlucht, trekt met zijn 47 katten en zijn typemachine in een oud eilandhuisje en krijgt vervolgens de titanenopdracht om het boek Ada van Vladimir Nabokov te vertalen. Maar Gilles heeft meer op met dode schrijvers dan met de lastige Nabokov; overleden auteurs bemoeien zich tenminste niet met zijn vertaalwerk. Bovendien houdt de vertaler meer van wijn en discussiëren met de pastoor, dan dat hij zich achter zijn Remington zet.

Ondertussen wordt in  Parijs zijn uitgever steeds ongeduldiger en bestookt Gilles met brieven en  persoonlijke boodschappers die hij naar île de B. stuurt. Tevergeefs. Tot het zomer wordt en het eiland vol stroomt met vakantiegasten. Onder leiding van Mme de Saint-Exupéry (inderdaad, nakomeling van …)  helpen ze de arme vertaler met het voltooien van Ada.

De beschouwende beeldspraken over het vertalersvak, de komische discussies met de uitgever-assistent uit Parijs en de poëtische eilandbeschouwingen van de ik-figuur zouden wat mij betreft een perfecte toevoeging aan het filmscenario zijn geweest.

Over de auteur: 

Erik Orsenna is het schrijverspseudoniem van Eric Arnoult, Frans politicus en lid van de Académie Française. De ik-figuur in Twee Zomers is Orsenna zelf.  Zijn familie van vaderskant had een zomerhuis op île de Bréhat en als kind bracht hij er onvergetelijke zomervakanties door. Die herinneringen verwerkte hij in deze roman. Zijn website doet vermoeden dat zijn liefde voor eilanden altijd is gebleven.

 

Transiteiland

Mensen op doorvoer schreven een groot deel van de geschiedenis van dit stadseiland. Vluchtelingen, immigranten, nieuwkomers, vertrekkers, gelukszoekers, afscheidnemers, toekomstdromers, fantasten, schipbreukelingen, verschoppelingen, illegalen, emigranten en landverhuizers, allemaal lieten ze een verhaal achter.

Migranten uit heel Europa trokken tussen 1873 en 1934 naar Antwerpen voor de overtocht met een van de schepen van Red Star Line, die aanmeerden in de Rijnkaai. Omdat de rederij de terugreis moest betalen voor op Ellis Island afgewezen emigranten werd er streng gecontroleerd op de immigratiewet ( ‘geen idioten, kreupelen, besmettelijk zieken, misdadigers en zwangere vrouwen’). In het gebouw links op de foto (nu het Red Star Line-museum) werden de medische controles uitgevoerd. Op naar het veelbeloofde land of anders achterblijven in het afvoerputje van het rijke Antwerpen.

’t Eilandje heette vroeger Nieuwstad. Het ligt tussen de Schelde, de Kattendijk en drie grote dokken. Als alle bruggen en sluizen openstaan, is het nog steeds een eiland.

Het eiland spelt zijn eigen gedicht. En dan bedoel ik niet het Kaaiengedicht, geschreven door Antwerpenaren, dat als een stromend schrijflint door de stad gaat. Er is een nieuwe gedicht, dat zichzelf schrijft. Al lopend, maak je een tocht langs onaffe stedelijkheid. De tijdelijkheid die volop in beweging is. Dat is het heden dat je als bezoeker geen toerist maakt, maar een ontdekker van geschilderde beelden. De beelden komen onvoorbereid op je pad, je kent ze uit geen enkele reisgids, en de rauwheid in aanbouw zal maar even blijven. Je rijgt de vele straatkunstwerken aan elkaar. Het Antwerpse Eilandje van nu staat haaks op dat van het verleden.

 

Het eiland zelf verkeert ook in transit gedurende de eeuwen. Het stadsdeel begon in de 16e eeuw als geniaal ingepolderd havendeel binnen de stadsmuren, Het groeide uit tot florissante haven tot aan het begin van de 20e eeuw, bewoog zich vanaf de jaren 1960 richting verlating en verval, en ontluikte in de 21e eeuw tot nieuwe bloei.